|
Te beginnen met Wit, zetten de spelers beurtelings één van hun 'lijpe lopers'.
Een loper beweegt en slaat als een loper in het in het Schaakspel: diagonaal, landend op een vrij veld of een veld dat bezet wordt door een vijandige loper. Een geslagen loper verdwijnt van het bord. Het is verboden met een loper over een bezet veld te springen.
Een speler heeft de keuze uit twee mogelijke types zetten:
- Als een loper van zijn huidige veld geen vijandige loper kan slaan, dan mag hij alleen een zet doen die een vijandige loper aanvalt.
- Als een loper van zijn huidige positie wel één of meer vijandige lopers kan slaan, dan dient hij een loper te slaan.
Een speler is vrij in zijn keuze om het ene dan wel het andere type zet te doen.
|