|
De spelers zetten beurtelings. Wit begint.
Op zijn beurt verplaatst een speler een toren met een topschijf van zijn kleur, geheel of een deel van bovenaf (zo'n deel heet ook een toren), één toren per beurt. De toren wordt precies zoveel velden verplaatst als er schijven (van beide kleuren) in de toren zitten. Een toren mag alleen op donkere velden landen, maar lichte velden worden wel geteld. Torens mogen over andere torens springen, ongeacht de kleur van de topschijf.
Er zijn drie soorten zetten:
- Gewone zetten: een toren kan recht of schuin voorwaarts bewegen naar een vrij veld. Een toren mag ook 'van het bord' gespeeld worden, alsof het gewoon doorging. In dat geval verdwijnt het stuk van het bord. Enkele schijven op de achterste rij worden meestal van het bord gespeeld.
- Samenvoegende zetten: een toren kan recht of schuin voorwaarts bewegen naar een veld met een toren van dezelfde speler (dus met dezelfde kleur boven). Dit voegt de torens samen.
- Slag zetten: een toren kan in elke rechte of diagonale richting zetten naar velden de bezet zijn door de tegenstander, maar alleen als het zettende stuk minstens even groot is. In dat geval geldt de toren van de tegenstander als geslagen en wordt in z'n geheel van het bord genomen.
Als een speler niet kan zetten, gaat de beurt over naar de tegenspeler, net zolang tot er weer een zet mogelijk is.
|